Landmeetkunde reeds een vijftiental jaren en dit tijdschrift is een niet te onderschatten bron voor de ontwikkeling van de landmeet kunde in ons land, zowel wat de wiskundig-technische aspecten betreft, als de juridische, die in deze schets niet ter zake doen. Ook de leerboeken geven een goede indruk op welk niveau de landmeters van het kadaster het landmeetkundig rekenen beoefen den. Een Groningse landmeter, E. Barenbroek, gaf in 1857 een leerboek uit, waaruit het volgende wordt overgenomen. Q\P „Den inhoud van een regtlijnig veelhoekig stuk land te bepalen* Plaats in A en G baken. Laat uit de verschillende hoekpunten, waar de zijden van het stuk land elkander snijden, loodlijnen vallen op de grondlijn AG. Meet van A tot G, den voet van iedere loodlijn aanteekenende. Meet alle loodlijnen en we zullen hebben: Inh. veelh. 2 AG X (BM CN DQ RE SF HS 4- JP KO)." i) Dit is toch wel erg; de uitkomst is meer dan 10 keer te groot. Waren er nocf 6 punten meer tussen D en E aangemeten, dan zou de verkeerde uitkomst nog eens zijn verdubbeld. Het citaat heeft niet ten doel in het licht te stellen, dat de land meters van het kadaster in ontwikkeling te kort schoten (boven dien zou één voorbeeld ten opzichte van de gehele groep weinig bewijskracht opbrengen), maar wel blijkt er uit, dat bij de opleiding de grootteberekening van percelen uit coördinaten in het geheel niet aan de orde was. Het bovenstaande maakt overigens niet de indruk een eigen vin ding wereldkundig te maken. In dat geval zou de schrijver immers wel hebben gepoogd zijn handelwijze te bewijzen, wat dadelijk de ongerijmdheid van de methode aan het licht zou hebben gebracht. Waarschijnlijk heeft de schrijver uit Duitse bron iets over de drie- 240 1) Dc 2 in deze vorm zal in ieder geval wel als bedoeld zijn.

Digitale Tijdschriftenarchief Stichting De Hollandse Cirkel en Geo Informatie Nederland

Orgaan der Vereeniging TAK | 1957 | | pagina 20