studies over kaartprojecties ook in het buitenland bekende hoog leraar van de Polytechnische School te Delft, Ch. M. Schols. Dit boek is vaak herdrukt en tientallen jaren een betrouwbare gids geweest voor de Nederlandse landmeters. De logaritmentafels kregen concurrentie te duchten. In 1896 kwam de grote rekentafel van Ludwig Zimmermann uit, die in de landmeetkundige praktijk de voorkeur verdient boven de reeds eerder verschenen tafel van Crelle. Met Duitse tafels en formulieren deed de landmeter in 1897 zijn berekeningen. De tekenaar kopieerde op de dagspiegel. Hij ver richtte de bijwerking. De bijbladen werden hem niet toevertrouwd; deze bleven onder de hoede van de landmeter. Rekende onze col lega van 60 jaar geleden wel? Zeker, hij berekende immers de grootten van de percelen. Goniometrische functies kwamen er niet aan te pas. Door splitsing in driehoeken of door transformeren geschiedde de gehele berekening uitsluitend op de grondslag van die ene meetkundestelling: de oppervlakte van een driehoek is het halve produkt van basis en hoogte. Zo rekende hij en tekende hij. En richtte op 1 augustus 1897 een vereniging op van vakgenoten, waarvan het 60-jarig bestaan nu wordt herdacht. Wat het landmeetkundig rekenen betreft blijft dit het beeld van de beperkte bezigheid van de tekenaar van het kadaster tot circa 1930. Hoe heeft hij zijn taak met deze toch wel erg summiere theore tische kennis op bevredigende wijze kunnen vervullen? Hij wist zich te redden met passer en transversaalschaal en door zijn toe vlucht te nemen tot het maken van zelfstandige kaarteringen. Daar bij was de planimeter een onmisbare bondgenoot. Met deze hulp middelen wist hij alle theoretische moeilijkheden te omzeilen. Door consciëntieus te werken bereikte hij door zijn handvaardigheid resultaten die geheel aan de gestelde nauwkeurigheidseisen vol deden. Ook nu wordt deze werkwijze in de praktijk nog dikwijls met vrucht toegepast. Beperkt men zich tot deze methode, dan kan dat goed gaan, zolang er geen coördinatenberekeningen in het spel zijn. Zodra dit zich voordeed was de hulp van de tekenaar uitgeschakeld, omdat hij in deze richting de landmeter niet verder kon volgen. De land meter was als het ware het hoofd bij de te verrichten kantoorwerk zaamheden, de tekenaar was de hand, die de eenvoudige werk zaamheden uitvoerde. Zijn rekenen beperkte zich tot optellen en vermenigvuldigen. Hij gevoelde zelfs geen behoefte zijn kennis met wat eenvoudige vlakke driehoeksmeting uit te breiden, om van de analytische meetkunde maar te zwijgen. De geheimzinnige bewer kingen met coördinaten behoorden tot het domein van de land meter. Voor hem, niet voor de tekenaar, was de .Handleiding voor de Technische Werkzaamheden van kadastrale hermetingen" be stemd, een klein boekje van 60 bladzijden uit het jaar 1902. De hierin voorkomende formulieren waren bestemd voor logaritmische berekeningen van argumenten, de vereffening van een snelliuspunt, 242

Digitale Tijdschriftenarchief Stichting De Hollandse Cirkel en Geo Informatie Nederland

Orgaan der Vereeniging TAK | 1957 | | pagina 22