voeren met middelbare krachten uit andere technische sectoren en dus de „taal" van de civiele techniek en de bouwkunde moeten verstaan. Hij zal bij schattingen van gronden betrokken zijn en dus iets moeten weten van kennis en waarde van de bodem. Zijn metingen zullen moeten dienen voor het ontwerpen van bestem mingsplannen en verdere planologische maatregelen. Hij zal ge roepen worden om jongere krachten op te leiden en daarbij het geduld moeten opbrengen dat vereist is voor de overdracht van kennis en vaardigheid. Tenslotte zal hij tal van andere opdrachten van algemene aard kunnen krijgen. Kortom hij zal zich moeten ontspecialiseren. Voor al deze werkzaamheden wordt een persoonlijkheid ge vraagd, die zich soepel kan bewegen, tegenstellingen weet te over bruggen, hoofdzaken van bijzaken kan onderscheiden, kortom iemand die zelfstandig heeft leren denken. Met ons huidige schoolsysteem is juist het aanleren van deze bekwaamheid een moeilijke opgave voor vele leerlingen. Zij blijven liever op de begane paden van de afhankelijkheid dan dat zij zich in het risico storten van de zelfstandigheid. Zulke personen gaan echter later veelal hun afhankelijkheidsgevoelens projecteren op hun chefs en zullen dientengevolge in elke werkomstandigheid mis lukkingen e.d. op de leiding schuiven. Zij die vluchten in de hou ding „laat een ander het maar doen, dan draagt die ook de verant woordelijkheid". Voor hen zou de uitspraak van de wijsgeer Des cartes, dat alle ware inzicht aanvangt bij de twijfelnuttig zijn ter overdenking. Ik hoop door het bovenstaande duidelijk gemaakt te hebben, dat de studietijd aan de H.T.S. te Utrecht mede als een ontwikkelings~ periode moet worden beschouwd, waardoor de leerling een basis krijgt voor zijn verdere leven en niet alleen als een training of scho ling in specifieke vakbekwaamheden. Dienovereenkomstig bevat het huidige leerplan naast de land meetkundige vakken en de daarvoor benodigde exacte vakken, ook juridisch-administratieve vakken, voorts mens- en maatschappij, planologie, geologie, kennis en waardeleer van de bodem en talen, terwijl het in de bedoeling ligt de algemene vakken in de toekomst nog uit te breiden. Een belangrijk gedeelte van de totale opleiding (ongeveer 40 is aan praktische oefeningen gewijd. Niettemin zal de leerling zijn eigenlijke ervaring hoofdzakelijk tijdens zijn plaatsing bij de land meetkundige diensten gedurende het praktijkjaar moeten leren. De schoolopgaven missen uiteraard de spanning van de werkelijkheid. De leerlingen hopen na deze eenvoudige werkstukken uit de prac tica tot meer verantwoordelijke opgaven geroepen te worden in het praktijkjaar. De taak van de geroutineerde technische ambtenaren, die onder leiding van een landmeter, een praktikant toegevoegd krijgen, ver dient dan ook nadere aandacht. 264

Digitale Tijdschriftenarchief Stichting De Hollandse Cirkel en Geo Informatie Nederland

Orgaan der Vereeniging TAK | 1957 | | pagina 44